Raad van State heeft bezwaren tegen initiatiefwetsvoorstel 'Grondgebonden melkveehouderij'

De Raad van State heeft op woensdag 3 juni  het advies over het initiatiefwetsvoorstel van voormalig Tweede Kamerlid Kamerlid Holman van het NSC en Tweede Kamerlid Grinwis van ChristenUnie vastgesteld over de invoering van een grondgebonden melkveehouderij, de aanwijzing van maatschappelijke landbouwgebieden en een verantwoorde mestafzet. De Raad van Staten heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast.

Het wetsvoorstel bestaat uit drie hoofdsporen:



  • Het vastleggen van een wettelijke vorm van grondgebondenheid in de melkveehouderij. De daarbij vastgestelde grondnormen houden in dat bij een bepaalde hoeveelheid grootvee-eenheden een bepaalde hoeveelheid grond hoort;

  • De opsplitsing van de agrarische grond in Nederland in een 'agrarische hoofdstructuur' en 'maatschappelijke landbouwgebieden'. Binnen de 'agrarische hoofdstructuur' geldt een lagere grondnorm dan binnen de 'maatschappelijke landbouwgebieden'.

  • De introductie van een mestvervoersbeperking voor alle producenten van dierlijke meststoffen. Dierlijke meststoffen mogen enkel worden vervoerd binnen een straal van honderd kilometer van de productielocatie of binnen de vastgestelde vervoersregio’s.


De toelichting bij het voorstel omvat een globale, brede beleidsvisie met belangrijke discussiepunten rondom de toekomst van de landbouw. Deze brede visie leent zich er echter niet goed voor om een-op-een te worden omgezet in een samenhangend wetsvoorstel, stelt de Raad van State. De toelichting toont een grote verscheidenheid aan vervlochten problemen en algemeen geformuleerde doelen die niet allemaal tegelijk haalbaar zijn. Daardoor is onvoldoende duidelijk voor welke problemen het voorstel concreet oplossingen biedt en welke bijdrage het voorstel daadwerkelijk levert aan het oplossen van de opgaven waar de agrarische sector voor staat.


De Raad van State geeft de initiatiefnemers in overweging de reikwijdte van het voorstel te beperken tot de wettelijke verankering van grondgebondenheid. Bij de verankering van de grondgebondenheid in het voorstel zijn er een aantal complicaties bij de definiëring van die term en de uitwerking van de gestelde grondnormen. Daardoor zal de invulling van de grondnormen naar verwachting niet leiden tot de beoogde kringlooplandbouw. Evenmin bereikt het voorstel de beoogde uitvoering van het zevende Nederlandse Actieprogramma bij de Nitraatrichtlijn.


De initiatiefnemers kiezen voor een ‘gedifferentieerde grondgebondenheid’, waarbij de inhoud en hoogte van de grondgebondenheidsnorm afhankelijk is van het landbouwgebied. De Raad van State ziet een aantal complicaties bij de invulling van de gebiedsgedifferentieerde grondgebondenheid. Dat gaat onder andere om de schaarste van ruimte en de voorgestelde vergoedingen binnen de 'maatschappelijke landbouwgebieden'. Voor zover vergoedingen al nodig zijn, blijkt uit de toelichting niet dat en, zo ja, hoe hierin zal worden voorzien.


Holman en Grinwis zien de invoering van de mestvervoersbeperking als een noodzakelijke tussenstap naar de met grondgebondenheid nagestreefde gesloten mestkringloop. De Raad van State kan uit de toelichting echter nog onvoldoende opmaken wat de daadwerkelijke bijdrage van de voorgestelde invulling van de mestvervoersbeperking zal zijn aan een gesloten mestkringloop.


Meer details zijn te vinden in het advies van de Raad van State.

Bron: Raad van State, 08/06/2026
Publicatie: 09-06-2026